Blog

Kijken naar alternatieven loont bij stijgende pensioenkosten

Geplaatst op 4 mei 2012

Stijgende pensioenkosten maken het aantrekkelijk om te kijken naar alternatieven.

Ook dit jaar zijn de pensioenpremies in verschillende sectoren weer gestegen. Bijvoorbeeld in de metaalsector, bij overheid en onderwijs, de horeca en bij de kappers en schildersbedrijven. In de sector van de vleesverwerkende industrie steeg de premie zelfs met ruim 5 procentpunt.

Meestal wordt de premie voor het grootste deel betaald door de werkgever. Maar ook werknemers kunnen er behoorlijk last van hebben. Want met een zeer beperkte loonstijging dan wel een nullijn kan een stijging van de pensioenpremie al snel de koopkracht van de werknemer (verder) onder druk zetten.

Het is de verwachting dat de pensioenkosten voorlopig zullen blijven toenemen. Het loont daarom de moeite om te bekijken hoe de pensioenkosten beheerst dan wel verminderd kunnen worden.

De stijgende levensverwachting en de lage rente in combinatie met minder gunstige beleggingsrendementen hebben ervoor gezorgd dat de dekkingsgraden van pensioenfondsen de afgelopen jaren fors zijn verslechterd. Wanneer de rente in de komende maanden niet substantieel stijgt, ziet het ernaar uit dat miljoenen deelnemers in april 2013 worden geconfronteerd met kortingen op hun pensioen.

Omdat pensioenfondsen geen expliciete contracten kennen, moeten ze tussentijds bij te lage dekkingsgraden beleidsinstrumenten inzetten om de financiële positie weer te herstellen. Als dat onvoldoende lukt door een opslag op de pensioenpremie en door niet te indexeren, komt uiteindelijk het korten op de pensioenen in beeld.

Omdat bij verschillende verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen de pensioenpremies (zeer) fors zijn gestegen, is het de moeite waarde om te verkennen of er een beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsgrond van onvoldoende beleggingsrendementen. Wanneer verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen over een periode van vijf jaar ten opzichte van hun eigen benchmark voor vermogensbeheer negatief scoren, zou een werkgever in principe kunnen vertrekken. Welke voorwaarden er bij vertrek bestaan, moet vervolgens per bedrijfstakpensioenfonds worden bekeken.

Marketeers van de pensioenverzekeraars buiten de slechte situatie bij pensioenfondsen uit om te laten zien dat er bij verzekeraars wel sprake is van gegarandeerde pensioenresultaten. Daarmee onderscheiden zij zich van pensioenfondsen. Gedurende de contractsperiode is duidelijk welke pensioenpremie van toepassing is, welke rekenrente wordt gehanteerd en met welke sterftetafels er wordt gerekend.

Veel pensioencontracten zijn echter in het verleden afgesloten op basis van een hogere rekenrente, verouderde sterftetafels en kosteninhoudingen die exorbitant hoog kunnen zijn. Er zijn voorbeelden in de praktijk bekend van beschikbare premieregelingen waarbij soms slechts de helft van de pensioenpremie als belegging wordt ingelegd. De rest gaat op aan kosten voor vermogensbeheer en administratie.

Gelukkig heeft het Verbond van Verzekeraars zich tegen deze praktijk gekeerd en zijn achterban geadviseerd vanaf een bepaald kostenniveau compensatie te bieden aan de gedupeerde werkgevers en werknemers. Dat laat onverlet dat de kosteninhoudingen nog steeds heel fors kunnen zijn.

Wanneer het pensioencontract bij een verzekeraar verlengd moet worden, zal de rekening zichtbaar worden voor de werkgever. Een lagere rente vertaalt zich maar zo in 10 tot 20 procent extra pensioenkosten. Vaak vertaalt de stijgende levensverwachting zich gelijktijdig in lagere pensioenen (of gelijkblijvende pensioenen door geld bij te storten).

Aan welke knoppen kan een werkgever draaien wanneer hij wordt geconfronteerd met hogere pensioenkosten bij een verzekeraar? Ik noem vier mogelijkheden.

1. Spreek in overleg met de werknemers een pensioenregeling af waarbij de kosten worden gemaximeerd. Daarmee worden ook de pensioenkosten voor de werknemer beperkt.

2. In plaats van het huidige niveau van zekerheid zouden werkgevers werknemers meer kunnen laten delen in de risico’s van de pensioenregeling.

3. Kritisch de kosten van de verzekeraar en de tussenpersoon onder de loep nemen.

4. Verkenning van een nieuwe pensioenuitvoerder, de zogenaamde premiepensioeninstelling (PPI). Hier kunnen alleen pensioenregelingen worden ondergebracht waarbij vrijwel alle risico’s bij de deelnemer liggen. Bij de PPI’s is sprake van meer transparantie over de kosten van vermogensbeheer en pensioenadministratie dan in het algemeen gesproken bij de pensioenverzekeraars.

Een werkgever die met hoge pensioenkosten wordt geconfronteerd, heeft kortom voldoende alternatieven die mogelijk geld besparen en het daarom waard zijn om verkend te worden.

Drs. Marcel van de Grift, Pensioenadviseur bij Visser & Visser Pensioenadviseurs.

Bevatte dit artikel interessante informatie? Deel het dan met je netwerk via één van onderstaande kanalen.

ca. {distance}
Wij kunnen binnen ca. {duration}
bij u zijn vanuit {select}

{add}
{zip} {cty}
Telefoon: {phn}
Email: {eml}

Voor vragen en/of een afspraak maken kunt u contact opnemen met {select}

{add}
{zip} {cty}
Telefoon: {phn}
Email: {eml}

Bezig met bepalen van de locatie